Themaonderzoek zelfevaluatie RvC Woningcorporaties

Inleiding

De Autoriteit woningcorporaties (Aw) heeft op 1 februari 2019 haar themaonderzoek naar de kwaliteit en diepgang van de zelfevaluaties van de raden van commissarissen van woningcorporaties gepubliceerd. Het onderzoek is bedoeld om bij te dragen aan het risicogerichte toezicht op de governance van woningcorporaties door de Aw en het verbeteren van de kwaliteit van de zelfevaluaties.

Ingevolge de Woningwet [1]en de Governancecode Woningcorporaties 2015 bespreekt de RvC ten minste één keer per jaar het eigen functioneren (in termen van effectiviteit) en dat van individuele leden van de RvC. Eens per twee jaar doet de RvC dat onder onafhankelijke, externe begeleiding. Waar nodig worden afspraken gemaakt met betrekking tot het functioneren van (leden van) de raad. Ook de onderlinge samenwerking binnen de RvC en relatie tot het bestuur is onderwerp van de evaluatie.

De Aw ziet een goed functionerende governance als de belangrijkste waarborg voor goed presteren op de andere toezichtterreinen. Ze richt zich in haar toezicht dan ook op het bevorderen van de kwaliteit van het intern toezicht, als ‘eerste verdedigingslinie’ van een goed werkend risicomanagementsysteem.

Door kennis te nemen van de uitkomsten van het themaonderzoek kunnen RvC’s de kwaliteit van hun zelfevaluatie verbeteren.

Onderzoek en uitkomsten

De verslagen van de zelfevaluaties van de RvC’s vormen voor de Aw de belangrijkste informatiebron voor haar onderzoek. De belangrijkste onderwerpen waar de Aw haar onderzoek op heeft gericht waren:

  1. vindt er jaarlijks een zelfevaluatie plaats door de RvC en wordt deze ten minste eenmaal per twee jaar begeleidt door een externe en onafhankelijke begeleider;
  2. is er sprake van een duidelijke toegevoegde waarde van de bijdrage van externe begeleiding aan de zelfevaluatie;
  3. is voorafgaand aan de zelfevaluatie informatie over het functioneren van de RvC opgehaald bij bestuurders, OR en overige stakeholders:
  4. wat is de omvang, kwaliteit en diepgang van het evaluatieverslag en zijn er verbeterafspraken gemaakt;
  5. blijkt uit het verslag dat tijdens de zelfevaluatie onder andere is gesproken over:
    • het functioneren raad van geheel;
    • het functioneren van de individuele leden en van de voorzitter;
    • de cultuur van openheid;
    • de benodigde en aanwezige competenties;
    • de relatie tot de bestuurder;
    • de permanente educatie;
  6. blijkt uit het evaluatieverslag dat er voldoende aandacht tijdens de zelfevaluatie is besteed aan de kernfuncties van de RvC, namelijk toezichthouden, klankbord zijn voor de bestuurder en werkgever zijn van de bestuurder.

De belangrijkste uitkomsten van het themaonderzoek zijn:

  1. 77% van de onderzochte RvC’s houdt jaarlijks een zelfevaluatie; 23% doet dit niet. Zij voldoen daarmee niet aan de “pas toe” bepaling van de Governancecode Woningcorporaties;
  2. de zelfevaluaties worden in 82% tenminste eenmaal per twee jaar begeleid door een externe en onafhankelijke begeleider. 18% van de onderzochte corporaties voldoet dus niet aan deze wettelijke verplichting uit de Woningwet;
  3. een externe onafhankelijke begeleider biedt meestal toegevoegde waarde: betere voorbereiding met individuele gesprekken/vragenlijsten vooraf en/of uitgebreider verslag over meer aspecten van het functioneren van de RvC;
  4. het merendeel van de RvC’s haalt ook informatie buiten de Raad op. Meestal bij de bestuurder en het merendeel van de evaluatieverslagen vermeldt iets over het functioneren van de Raad, de onderlinge samenwerking en de relatie met de bestuurder;
  5. de RvC’s zijn terughoudender om iets vast te leggen in het verslag van de zelfevaluatie over het functioneren van individuele leden en de voorzitter;
  6. twee derde van de RvC ‘s heeft in de verslagen aandacht voor alle kernfuncties; een derde doet dat niet;
  7. 72% van de corporaties heeft een toezichtvisie of is bezig deze visie te ontwikkelen; 28% heeft geen toezichtvisie.

Conclusie Aw

Uit haar themaonderzoek trekt de Aw de volgende conclusies:

  1. bij 78% van de corporaties is het beeld dat de kwaliteit en diepgang van de zelfevaluatie voldoende tot goed is en bij 22% matig of zwak (alleen kleine corporaties);
  2. de kwaliteit en diepgang van de zelfevaluaties verschillen. Dit heeft deels te maken met de aangeleverde documentatie, deels met de kwaliteit van de verslaglegging en/of de begeleiding;
  3. bij kleine corporaties is een grote mate van spreiding. Zij scoren gemiddeld relatief hoog op kwaliteit en diepgang (36% heeft oordeel goed). Maar ook zwakke of matige kwaliteit komt voor bij kleinere corporaties (33% heeft oordeel zwak of matig).

Advies

Het themaonderzoek biedt RvC’s ook handreikingen om de kwaliteit van hun zelfevaluatie te verbeteren:

  1. goede voorbereiding ook met de externe onafhankelijke begeleider: ook uit dit onderzoek blijkt dat een goede voorbereiding van de zelfevaluatie meerwaarde oplevert;
  2. besteed zorg aan het formuleren van het evaluatieverslag: geef voldoende aandacht hoe de raad omgaat met haar kernfuncties (toezichthouder, klankbord voor bestuurder en werkgever voor de bestuurder);
  3. zelfreflectie blijft lastig: sta bij de voorbereiding van de zelfevaluatie stil over hoe zelfreflectie door de raad en de individuele leden het beste vorm kan krijgen.

Henry Goverde (06 5315 3456)


[1]. Artikel 30, lid 11 Woningwet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *